Recensie door Arend Smilde
C. S. Lewis, Collected Letters
Edited by Walter Hooper. Drie
delen, HarperCollins, Londen 2000-2006
Vol. I: Family Letters, 1905–1931, 1057 blz.
Vol. II: Books, Broadcasts and War, 1931–1949, 1132 blz.
Vol. III: Narnia, Cambridge and Joy, 1950–1963, 1810 blz.
In het land
der letteren is, zonder veel tamtam, een monument verrezen. Het heet Collected Letters of C. S. Lewis. De drie
dikke boekdelen, samen goed voor 3999 pagina’s, verschenen in de jaren 2000,
2004 en 2006 en zijn bedoeld als volledige publicatie van alle brieven die er
van C. S. Lewis (1898-1963) bewaard en vindbaar gebleven zijn. Het toch al
omvangrijke werk van Lewis – nog niet de helft is in het Nederlands vertaald –
heeft hiermee een kolossaal en waardevol sluitstuk gekregen.
Tegelijk is
het een kroon op het werk van Walter Hooper, de man die Lewis in diens laatste
levensjaar ontmoette en korte tijd functioneerde als zijn privésecretaris.
Daarna is hij veertig jaar lang wellicht met weinig andere dingen bezig geweest
dan met de literaire nalatenschap van zijn held. Hoopers
toelichtingen, in de vorm van bijna honderd biografische schetsen en duizenden
voetnoten, ook weer met veel biografisch materiaal dat veelal teruggaat op
eigen onderzoek, getuigen van een kennis van zaken die alleen verklaarbaar is
uit tientallen jaren volhardende toewijding.
Indrukwekkend
is ook de ijver waarmee Hooper, naar het schijnt, iedere tekst waarop Lewis ook
maar in de verte zinspeelt – van Ilias, Boëthius en Beowulf via obscure
rijmelaars, vergeten debutanten en de grandioze speculaties van zijn vrienden
Owen Barfield en Charles Williams tot het onnozelste berichtje in de plaatselijke
pers – niet alleen heeft getraceerd maar ook grondig gelezen. Vaak trakteert
hij de lezer op goed gekozen, soms uitvoerige citaten uit dat alles. Heel wat
feiten en personen hebben op deze manier misschien wel hun enige vermelding in
boekvorm gekregen. Hooper heeft als beheerder en beheerser van Lewis’
nalatenschap veel en soms heftige kritiek gekregen, soms mogelijk terecht en
soms duidelijk onzinnig en boosaardig. Intussen is moeilijk in te zien bij wie
de bezorging van dit brievenwerk in betere handen zou zijn geweest.
Alle
eerdere publicaties van Lewis-brieven komen door deze
editie in principe te vervallen. Ze zijn namelijk allemaal hierin opgenomen: de
Letters to an American Lady (1967; Nederlands:
Brieven aan Mary Willis, 1998), de brieven aan
Arthur Greeves (in 1979 verschenen onder de titel They
Stand Together), de Letters to Children (1985; Nederlands: Liefs van C. S.
Lewis, 2000), de Latijnse brieven aan de Italiaanse monnik Giovanni Calabria (met Engelse vertaling verschenen in 1988, en ook
nu in beide talen opgenomen), de brieven aan Sheldon Vanauken zoals te vinden in diens boek A Severe Mercy (1977;
Nederlands: Getroffen door genade, 1998), en natuurlijk de Letters of
C. S. Lewis uit 1988, een toen al door Walter Hooper verzorgde uitbreiding
van het gelijknamige boek uit 1966, dat aanvankelijk werd samengesteld en
ingeleid door W. H. Lewis, broer van C. S.
Vreemd en
jammer genoeg is de pretentie van volledigheid in de Collected
Letters toch niet helemaal waargemaakt. In het brievenboek van 1988 staan
ten minste zes brieven die in deze ‘complete’ uitgave niet te vinden zijn.
Vermoedelijk is hier per ongeluk iets fout gegaan. Ik heb nog niet precies
uitgezocht hoe groot de schade is. Wie werkelijk niets wil missen zij
gewaarschuwd: doe het boek uit 1988 niet weg!
Niet dat
iedere brief op zichzelf even belangwekkend is, natuurlijk. De bedankbrieven
die Lewis vanaf 1945 jarenlang schreef aan Amerikaanse zenders van
voedselpakketten zijn bijvoorbeeld allemaal opgenomen. Een stokpaardje van Lewis
als literator was zijn opvatting dat een lezer zich niet moet verliezen in
belangstelling voor de persoon van een schrijver. De lezer moet zijn blik door
de schrijver laten sturen, leren zien wat de schrijver ziet, en niet naar die
schrijver zelf gaan kijken. “Ik kan het niet uitstaan”, schrijft Lewis in een
brief van 19 januari 1948 aan een Amerikaanse dominee, “als boeken ‘in hun
biografische context worden geplaatst’. Mocht ik eens heel bijzondere
informatie over het privéleven van Dante of Shakespeare vinden, dan zou ik die
in de kachel gooien, ik zou niemand iets vertellen en hun werk gaan herlezen.
Al die biografische interesse is maar een middeltje om je aan roddel te
bezondigen en niet te hoeven lezen wat die jongens zeggen – terwijl dat
het enige is waarom ze aandacht verdienen.”
Er is op
deze opvatting wel iets af te dingen, vooral natuurlijk waar het om brieven
gaat. In ieder geval waar het om brieven van Lewis gaat. Men hoeft zich niet
eens voor hem te interesseren om te zien dat hij bijna altijd erg goed en niet
zelden subliem proza schrijft, ook in zijn brieven. Wandelvakanties door het
Engelse landschap in de jaren twintig en dertig verslaat hij telkens zeer
uitvoerig in brieven aan zijn broer, en hij doet daarbij misschien niet onder
voor de beste auteurs in dit genre. Ervaringen in de vrije natuur beschrijft
hij met een doeltreffende combinatie van exactheid en verrukking. Sommige
passages zou men met wat eenvoudige typografische ingrepen serieus als een
gedicht kunnen presenteren (over vogelzang in de winter, 22 januari 1939).
Bijzonder beeldend en vermakelijk zijn vaak de beschrijvingen van mensen –
zoals zijn ooms, in augustus 1928 of bij de begrafenis van zijn vader in
december 1929, en in januari 1930 het verslag van een ontmoeting met zijn
collega en oud-docent Farquharson. Hij schrijft hier
als Carmiggelt op zijn best, zij het soms minder mild, en vaak levenslustiger.
Wat ook wel eens aan Carmiggelt doet denken is de geamuseerde, rake en
respectvolle beschrijving van dieren.
Leesplezier
in overvloed. Daar komt bij dat deze brieven wel degelijk van waarde zijn voor
wie zich (volgens de antibiografische richtlijn van Lewis) wil concentreren op
wat hij ‘zegt’ en niet zozeer op zijn privéleven. Als een zeer productieve
schrijver jaar in jaar uit en tot lang na zijn dood belangrijk wordt gevonden
door een groot en gevarieerd lezerspubliek, dan kan het niet anders of er komen
uiteenlopende interpretaties van zijn werk. Te midden van die verschillende
geluiden is het goed als de mogelijkheid bestaat om ook een min of meer
objectief geluid te horen. In het geval van Lewis hebben we zo’n mogelijkheid
nu in de vorm van deze brievencollectie. Als je zijn werk goed kent en met
andere mensen die zijn werk goed kennen van mening verschilt over wat daarin
het voornaamste is, dan heeft het zin je af te vragen welke dingen Lewis zelf
het naast aan het hart lagen. Voor een antwoord op die vraag kun je nergens
beter terecht dan hier. In totaal honderdvijftig klein gedrukte pagina’s index
maken het eenvoudig om eruit te halen wat erin zit. Wie iets evenwichtigs wil
zeggen over wat Lewis zegt, die kan voortaan hier niet omheen.
Blijft de
vraag of de boeken van Lewis niet duidelijk genoeg zijn. Die zijn over het
algemeen zeker duidelijk genoeg. Wat zijn brieven aan zijn boeken hebben toe te
voegen is misschien vooral: nog meer leesplezier. Volgens een andere richtlijn
van Lewis is dat een voortreffelijke reden om een boek te lezen.
Het verdere
nut van dit monumentale werk is met talloze voorbeelden te illustreren. Ik
beperk me tot één voorbeeld. In januari 1947 werd Lewis benaderd door iemand
met plannen voor een nieuw cultureel tijdschrift. Dit tijdschrift zou zich
oriënteren aan het denkbeeld van de Tao, zoals
Lewis dat een paar jaar eerder had ontwikkeld in De afschaffing van de mens,
een van zijn moeilijkste en meest filosofische boeken. Het Chinese woord Tao (‘de Weg’) gebruikte hij voor de morele
grondregels die klaarblijkelijk aan alle mensen van alle tijden en plaatsen min
of meer bekend zijn geweest, zoals de plicht om voor het nageslacht maar ook
voor ouden van dagen te zorgen. Lewis vond dat tijdschrift een geweldig idee.
“Ik heb al vaak gezegd,” schreef hij, “dat er hoognodig een nieuw, openlijk
elitair [frankly highbrow] tijdschrift
moet komen dat niet in linkse handen is.” Er was een
oprichtingsbijeenkomst gepland, T. S. Eliot was
uitgenodigd, en ook bijvoorbeeld Ruth Pitter, een
door Lewis bewonderde dichteres die op haar beurt hem bewonderde, die ook net
als hij christen en vrijgezel en bovendien precies van zijn leeftijd was. Maar
– “ik ben zo aan huis gebonden (aan het bed van een invalide bejaarde),”
schreef hij, “dat ik nooit zeker weet of ik wel uit Oxford weg kan.” Toen het
zover was, kon hij inderdaad niet komen. Dat tijdschrift kwam er ook niet.
Dit is
kenmerkend voor zijn privéleven zoals we dat uit de brieven leren kennen. Het
zou jammer zijn geweest als Walter Hooper deze informatie in de kachel had
gegooid, niemand iets verteld had en boeken was gaan herlezen. Het praktiseren
van moraal, het volgen van de Weg, was volgens Lewis moeilijker en belangrijker
dan erover praten of schrijven. Dat wordt uit zijn boeken duidelijk genoeg, in
zekere zin. Maar uit zijn brieven nog duidelijker.
Nederlands Dagblad, 16 november 2007